Fok zee en bergen

Ik trek te voet door Frankrijk en dit stukje schrijf ik gezeten langs de D230A, ergens in de buurt van Le Chesne. Dat staat al een tijdje aangegeven, dus het zal wel een wat grotere plaats zijn. Het uitzicht is adembenemend mooi en het doet mij eraan denken hoezeer ik hou van dit soort landschappen.

Ik moet niets weten van de zee, noch van de bergen, ik ben van de heuvels. Twee keer in mijn leven was ik aan zee en ik werd er depressief van. Niet eens door de massa volk, want het was beide keren erg rustig. Maar het oneindige boezemt mij een zekere schrik in. Het zal wel met mijn hang naar controle te maken hebben. De zee laat zich niet controleren. Je weet dat er achter de horizon iets is, maar dat is onbereikbaar. En misschien is het wel iets gevaarlijks, dat zich daar achter de kim schuilhoudt. Een tsunami, een fregatschip, een stel Sirenen, godweet wat allemaal. Zelfs van het overrompelende blauw op een landkaart van de kuststreek, krijg ik het lichtjes benauwd. Bovendien stinkt de zilte zeelucht, maar ik ben bereid om te aanvaarden dat er mensen zijn die het lekker vinden ruiken aan zee.

De bergen hebben eenzelfde uitwerking op me. Zo hoog dat de zon erachter verdwijnt, nadat ze de kartelige rand van de toppen nog één keer in brand heeft gezet. Maar wat bevindt zich achter de bergen? Een leger Orks? De Walking Dead? Of een warme bakker uit Appelscha, die met zijn gezin in jouw hotel heeft geboekt en je avondeten komt vergallen met ongemanierde kinderen en wiens vrouw de laatste broodjes voor je neus weggrist bij het ontbijtbuffet?

Maar het is vooral het eindeloze waar ik niets van moet hebben. De dingen moeten een einde hebben, punt. En niet dat er ergens nog wat komt waar ik geen controle over heb, alleen maar omdat ik het niet kan zien.

De polders geven me overigens ook precies dat gevoel. Maar anders dan de zee en de bergen vindt geen zinnig mens dat je daar op vakantie móet zijn geweest. Ze staan niet bepaald in het rijtje van de zeven wereldwonderen. Kortom, de polders zijn even erg al hoef ik dat nooit uit te leggen. Gelukkig maar, want het is zo al erg genoeg.

De heuvels daarentegen bieden veel mogelijkheid tot controle. Je kunt de volgende heuvel zien en die daarna ook. Het landschap is weids, maar niet onbedwingbaar. Een heuvelkam is misschien pittig, wellicht zelfs loodzwaar, maar altijd te doen. En zelden is een mens zodanig gesloopt dat het de dag erna niet meer gaat. In de glooiende valleien, liggen altijd ‘lieflijke dorpjes’. Ok, misschien worden ze bewoond door een bende etterbakken, maar dáár kun je achter komen. En bospartijen, vergeet de bospartijen niet. Je hoeft er zelden dwars doorheen, maar ze liggen er en dat is een even mooie als veilige gedachte.

Heuvels hebben zonder meer iets vriendelijks. Wat er ook van de bergen en de zee gezegd wordt, nooit dat ze ‘vriendelijk’ zijn.

En persoonlijk vind ik dat er al genoeg onvriendelijks in de wereld is.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.